TERRORISME
over de vraag of terrorisme kan gerechtvaardigd worden
lezing gehouden aan de VUB op 12 maart 2008
- Inleiding
In een lezing over terrorisme is de vermelding van de aanslagen van 11 september vandaag de dag onvermijdelijk. Deze ontegensprekelijke terroristische daad schokte de publieke opinie op een dusdanige manier, dat elk debat over dit onderwerp in de toekomst nooit meer hetzelfde zou zijn. Waar voor “9/11” het debat nog enigszins sereen en, als we deze term tenminste mogen gebruiken, ‘objectief’ kon gehouden worden met de inbreng van wederzijdse, gegronde en redelijke argumenten, wordt nu een, eerder emotief geladen, oorlogstaal gesproken. De publieke opinie is niet meer bereid om nog redelijke argumenten te aanhoren, maar wil directe actie van hun vertegenwoordigers zien om hen van deze terreur, dat als een zwaard van Damocles boven eenieders hoofd hangt, te verlossen.
Toch is het mijns inziens nodig om het debat te blijven voeren op een manier waarbij iedere partij mag en kan aan het woord gelaten worden. Eenieder mag en kan zijn redelijke argumenten in het debat gooien en daarbij mogen zelfs de zogenaamde ‘taboe-vragen’ niet uit de weg gegaan worden. Alleen op die manier kan men op het einde van de rit tot een gefundeerde mening komen waarin, hopelijk, iedere partij zich kan vinden aangezien ‘ieder zijn zegje gehad heeft’.
Een voorbeeld van zo’n taboe-vraag, en zeker niet één van de minste, is of een terroristische daad ooit gerechtvaardigd kan worden. Dit is, mijns inziens, de centrale vraag waarrond het debat draait. Onze mening over terrorisme zal in grote mate afhangen van het antwoord dat we op die vraag geven. Er werden in de loop der jaren talloze argumenten pro en contra dit standpunt opgeworpen en er zal in deze lezing gepoogd worden ze allemaal, in grote lijnen, te behandelen.
Voor wat betreft de bronnen voor het behandelen van deze argumenten, dringt een opmerking terzijde zich hier op. Mijn voornaamste bron is het boek van Michael Walzer en meer bepaald het hoofdstuk over terrorisme. Aangezien echter de gebeurtenissen van de voorbije jaren de literatuur over dit onderwerp in evenredige mate hebben doen toenemen, kon ik nog rekenen op een massa artikels en essays, die werden gepubliceerd via het internet. Zo was er een artikel van de hand van Walzer, gepubliceerd op 22 oktober 2001, handelend over de gebeurtenissen op 11 september. Ongeveer op hetzelfde moment, op 18 oktober 2001, werd een lezing gegeven over terrorisme door Noam Chomsky aan het vermaarde MIT te Chicago. De uitgeschreven versie van deze lezing is ook te vinden op het internet en geeft een, lichtjes, andere kijk op het onderwerp. Een derde, meer geschiedkundige visie komt van Walter Laqueur, die in 1977 (dus ongeveer op hetzelfde moment als Walzer) een boek publiceerde over terrorisme. Hoe hij er twintig jaar later over dacht, gaf hij te kennen in een artikel getiteld ‘het postmoderne terrorisme’, eveneens via het internet verspreid in september/oktober 1996. Alhoewel deze drie auteurs niet mijn enige bronnen zijn, zijn ze toch de voornaamste bij de behandeling van de vraag: ‘kan een terroristische daad gerechtvaardigd worden?’
- De argumenten
Definitorische problemen aangaande “terrorisme”
Vooraleer te kunnen overgaan naar een meer empirische benadering van het onderwerp “terrorisme”, dienen we dit eerst definitorisch af te bakenen. Zo lopen de verschillende meningen nogal eens uit elkaar voor wat betreft de definitie van een “terroristische” daad. Het spreekt voor zich dat al naargelang de bron ook de visie op, de betekenis en de definitie van het begrip terrorisme zal verschuiven. Zo zal de dader zijn (terroristische) daad eerder bestempelen als “guerrilla” of “gewapend verzet” of nog, als “een legitieme daad in oorlogstijd”; terwijl de geviseerden en/of slachtoffers zonder meer spreken over “terrorisme”. De verwarring is het grootst onder sympathisanten, aangezien hun sympathie omgekeerd evenredig loopt met de nabijheid ten opzichte van hun voordeur van een terroristische daad. Laten we er dus een wetenschappelijke bron bijhalen.
Michael Walzer onderscheidt drie vormen van terrorisme:
- Het nationaal-bevrijdings of revolutionair terrorisme. Hieronder vallen groepen zoals het IRA, PLO, ETA, enz. Zij hebben gemeenschappelijk dat ze in hun verzetsdaden moedwillig en willekeurig onschuldige burgerslachtoffers maken om zodoende de politieke leiders tot toegevingen te dwingen
- Het staatsterrorisme. Deze vorm van terrorisme wordt doorgaans gebruikt door totalitaire regimes en is in de eerste plaats gericht tegen de eigen bevolking met als doel angst te zaaien en politieke oppositie onmogelijk te maken.
- Het oorlogsterrorisme waarbij Hiroshima geldt als het ultieme voorbeeld. Het doel hierbij is het vijandig leger tot capitulatie te dwingen door zoveel mogelijk burgerslachtoffers te maken.
De rode draad doorheen de drie vormen van terrorisme die Walzer onderscheidt is
“the targeting of people who are, in both the military and political senses, noncombatants: not soldiers, not public officials, just ordinary people. And they aren’t killed incidentally in the course of actions aimed elsewhere; they are killed intentionally.” (Walzer, 2001)
Toch blijft deze visie op terrorisme problematisch. Alhoewel deze definitie ook gehanteerd wordt door auteurs als Laqueur en Chomsky, kunnen we niet zelden stellen dat de “onschuldige” slachtoffers waarvan sprake door hun aanvallers bijna nooit als “onschuldig” worden aanzien. Hierbij komt nog dat we met deze visie bijna de hele Tweede Wereldoorlog als één grote terroristische daad kunnen beschouwen. Iets wat door weinig mensen als dusdanig wordt ervaren. Een geschiedkundige benadering van het onderwerp dringt zich dus op.
Het terrorisme geschiedkundig bekeken
Het argument bestaat dat het moderne terrorisme enkel en alleen te wijten zou zijn aan (en dus ook verklaard kan worden door) de (internationale) onrechtvaardigheid die er heerst in onze moderne tijden. Immers, zowel op staatskundig als op economisch vlak loopt er heel wat mis, wat de terroristische acties zou kunnen verklaren van zowel de separatistische, fundamentalistische en/of links anti-kapitalistische groepen. Dit argument loopt analoog met de (mijns inziens onjuiste) vaststelling dat het terrorisme een relatief nieuw verschijnsel zou zijn.
Dit argument wordt op overtuigende wijze weerlegd door Laqueur. In zijn boek geeft hij voorbeelden te overvloed: van de sicarii in het Palestina van de eerste eeuw na Chr., over de beweging van de Assassijnen (Perzië) in de 11de eeuw, tot de gewelddadige acties van de Ku Klux Klan, het IRA of de PLO in onze moderne tijden. Overal ontdekt men hier hetzelfde patroon van willekeurig geweld met het doel angst en terreur te zaaien.
Men zou weliswaar kunnen opmerken dat ook deze gewelddadige acties gericht waren tegen het al dan niet vermeende onrecht, maar niettemin is hiermee in ieder geval aangetoond dat het terrorisme als middel ertegen geenszins een nieuw verschijnsel is, integendeel zelfs.
De bedoeling van Laqueur is echter niet, zoals we misschien zouden kunnen denken, het weerleggen van dergelijke misverstanden i.v.m. het terrorisme maar wel om het hele fenomeen opnieuw te belichten. Hierbij komt hij tot enkele interessante vaststellingen.
Een eerste vaststelling is het feit dat het systematisch terrorisme pas opgang vindt vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Laqueur merkt hierover op:
‘In historisch verband gezien hadden de verschillende verschijningsvormen van het terrorisme een gemeenschappelijke oorsprong, hoe verschillend hun doeleinden en politieke achtergronden ook waren: zij hingen alle samen met de opkomst van de democratie en het nationalisme.’ (Laqueur, 1978, p.16)
Hierbij kreeg het moderne terrorisme volgens Laqueur te maken met een paradox. De gewapende protestbewegingen hadden immers pas kans op slagen indien de heersende klasse bereid was het spel te spelen volgens de nieuwe regels van de democratie, die de gewelddadige onderdrukking uitsloten.
‘Kort gezegd: terroristische groeperingen konden slechts vrijelijk de aanval openen op niet-terroristische regeringen.’ (Laqueur, 1978, p. 16)
Deze vaststelling vormt de rode draad bij de bespreking van het fenomeen en zal dan ook leiden tot de volgende slotconclusie van het boek:
‘…in tegenstelling tot democratieën kennen de niet-democratische regimes geen remmingen bij het afrekenen met hun politieke vijanden. Naarmate de macht van de democratische gemeenschappen afneemt, krimpt ook het werkterrein voor het terrorisme.’ (Laqueur, 1978, p.238)
Deze conclusie van Laqueur is echter gestoeld op slechts de enkele premisse als zouden de nieuwe regels van de democratie en het nationalisme gewelddadige onderdrukking uitsluiten. De dagdagelijkse realiteit bewijst ons hierbij echter het tegendeel en toont wel degelijk dat, wanneer de meest fundamentele belangen van de heersende klasse op het spel staan, deze heersende klasse weinig remmingen ondervindt en/of kent bij het afrekenen met haar vijanden. De gewelddadige onderdrukking is allerminst het alleenrecht van niet-democratische regeringen, zoals Noam Chomsky ten overvloede aantoont.
Chomsky haalt overtuigende voorbeelden aan uit de Europese en Amerikaanse koloniale en veroveringsgeschiedenis van de voorbije 200 jaar. Telkens springt hierbij in het oog dat beide democratische regeringen er allerminst moeite mee hadden om hele bevolkingsgroepen blindelings en gewelddadig te onderdrukken, daar waar hun eigen, meestal economische belangen op het spel stonden. Men zou hierbij wel kunnen opmerken dat dit geweld niet gericht is tegen haar eigen bevolking, zoals dat bij de afrekening met het terrorisme wel zou moeten, en dat het op dit punt is dat Laqueur er de aandacht op vestigt. Dit is waarschijnlijk ook wel zo maar dit doet niettemin niets af aan het feit dat Laqueur van een foutieve premisse is uitgegaan, die fundamenteel was voor zijn conclusie. Bijgevolg kan zijn conclusie dan ook niet aanvaard worden.
De doelstellingen van het terrorisme
Maar laten we het kind niet met het badwater weggooien. De geschiedenis heeft immers wel degelijk zijn belang als het er op aankomt het fenomeen van het hedendaags terrorisme beter te begrijpen. Walzer komt bij de bestudering van het fenomeen bij een, mijn inziens, veel fundamentelere vaststelling dan Laqueur, zijnde het verschil tussen het terrorisme voor en na de Tweede Wereldoorlog.
Walzer beschrijft in zijn boek drie terroristische acties die hebben plaatsgevonden voor de Tweede Wereldoorlog. Hierbij valt het hem op dat deze acties niet zomaar tegen eender wie gericht waren, maar integendeel, tegen één, specifiek, weloverwogen gekozen, meestal politiek doelwit. Er werd, zo blijkt uit deze voorbeelden, zoveel mogelijk gepoogd onschuldige slachtoffers te vermijden zoniet het aantal tot een absoluut minimum te beperken. De blinde terreur die gezaaid werd door terroristen voor WO II, was er ook één van angst, maar dan angst onder de politieke leiders. Zij waren het voornaamste doelwit van hun acties. Dit in tegenstelling tot de acties na WO II, waarbij meestal burgers de pasmunt vormden om de eisen van de terroristen kracht bij te zetten. Het doel van het hedendaags terrorisme is ‘to destroy the morale of a nation or a class, to undercut its solidarity’(Walzer, 1977, p.197), de methode ‘the random murder of innocent people’ (idem). Het is om deze reden dat de uitvoerders van terroristische acties van voor WO II nog op enig moreel respect kunnen rekenen, in tegenstelling tot de hedendaagse terroristen, ‘because they set limits to their actions’ (Walzer, 1977, p. 201)

Deze nuance blijkt cruciaal te zijn, niet alleen bij de behandeling van het fenomeen terrorisme, maar doorheen heel het boek, of het nu gaat om het klassieke oorlogvoeren of over de moderne uitingen ervan in de vorm van bijvoorbeeld een guerilla. De moraliteit van het oorlogvoeren is er volgens Walzer in gelegen dat het spel gespeeld wordt volgens bepaalde regels en dat alle betrokken partijen zich hebben te houden aan deze regels. Zij zullen bijvoorbeeld niets meer doen dan nodig om voor hen de overwinning te behalen. Doen ze dit toch dan overschrijden zij een morele grens.
Dikwijls wordt het argument gegeven als zou oorlog, zoals elke vorm van geweld, buiten de redelijke grenzen van de moraliteit vallen. Mijns inziens, en ik denk dat Walzer dit zou beamen, is het juist andersom. De moraliteit verschijnt in haar meest fundamentele vorm juist in deze grenssituaties. De reden bijvoorbeeld waarom er bepaalde oorlogsconventies bestaan, bewijst dat alle betrokken partijen bereid zijn om zich aan de meest fundamentele morele regels te houden. De uitgeschreven versies hiervan vinden we bijvoorbeeld terug in de conventie van Den Haag (1907) en de conventie van Genève (1949)[1]. Walzer behandelt het fenomeen terrorisme juist in het hoofdstuk ‘the war convention’, en dit is niet bepaald toevallig, integendeel zelfs.
Een van de moeilijkst te beantwoorden vragen, als we het over de theorie van de oorlog hebben, is ‘how those victims of war who can be attacked and killed are to be distinguished from those who cannot.’ (Walzer, 1977, p. 41) Het is nodig dat we op elk gegeven moment van een oorlog een antwoord klaar hebben op deze vraag, en dan vooral op de vraag bij wie het moreel onaanvaardbaar zou zijn om aangevallen te worden.
De oorlogsconventies gaan uit van twee principes. Het eerste principe behelst het probleem van wie wel aangevallen mag worden en zegt dat ‘once war has begun, soldiers are subject to attack at any time (unless they are wounded or captured)’ (Walzer, 1977, p. 138). Enige uitzonderingen niet te na genomen, is dit, mijns inziens, zowel logisch als gegrond. Veel moeilijker is het probleem van wie niet mag aangevallen worden, welke het tweede principe behelst. Hier wordt in de oorlogsconventies uitgegaan van het principe van de ‘non-combattant immunty’. Simpelweg uitgedrukt zegt dit principe dat wie niet deelneemt aan het gevecht, ook niet mag aangevallen worden. Burgers mogen dus nooit het doelwit worden van militaire activiteiten. Nochtans is het haast onvermijdelijk dat er burgerslachtoffers vallen bij militaire activiteiten. Dit onvermijdelijk gevolg wordt door militairen dikwijls ‘goedgepraat’ met het argument van wat genoemd wordt het ‘dubbele effect’. Volgens dit argument is het geoorloofd om daden te stellen die ‘kwade’ gevolgen zullen hebben, op voorwaarde dat voldaan werd aan volgende vier voorwaarden:
- de daad is, op zichzelf genomen, goed, of, in dit geval, een legitieme oorlogsdaad
- het directe gevolg is moreel aanvaardbaar bv. het vernietigen van militaire bevoorrading
- de bedoeling van de dader is goed, evenzo ligt het kwade gevolg niet in zijn bedoeling of is het een middel tot zijn doel
- het goede effect van de daad is voldoende groot om het slechte effect ervan te compenseren
Een eerste probleem ligt volgens Walzer bij de derde clausule, want hoe valt nu de bedoeling te achterhalen van de dader? Dit argument geeft een vrijgeleide tot elke vorm van militaire activiteit, vermits de dader ervan altijd kan terugvallen op het argument dat het zijn bedoeling niet was. Een probleem dat enigszins van weinig belang is als het gaat om terrorisme vermits het daar uitdrukkelijk in de bedoeling ligt om terreur te zaaien. Deze bedoeling wordt dan ook meestal uitdrukkelijk kenbaar gemaakt door het opeisen van de aanslag.
Een bijkomend probleem echter is dat burgers soms worden ingezet in de oorlogsmachine, al dan niet onder dwang, zelfs al participeren ze op dat moment niet aan enigerlei militaire activiteit. Afhankelijk van het standpunt zullen deze burgers al dan niet worden aanzien als militaire doelwitten, aangezien zij ogenschijnlijk de status van ‘combattant’ aannemen op het moment dat zij zich ten dienste stellen van één van de betrokken partijen. We zouden ons hierbij op de eerste plaats moeten afvragen op welke manier deze ‘onschuldige slachtoffers’ terecht kwamen in een oorlogszone. Ook de terroristen beroepen zich immers op het argument dat hun ‘onschuldige slachtoffers’ zich schuldig maken door zich in te zetten voor de ‘vijand’. Wat we echter zien bij oorlog is dat burgers hun ‘non-combattant immunity’ kunnen herwinnen door, wanneer zij voor de keuze gesteld worden, de oorlogszone te verlaten of zoals Walzer zelf schrijft:
‘The offer of free exit turns all those people who choose to remain in the city, or who are forced to remain, even if they are still in their “proper and permanent abode,” into something like a garrison: they have yielded their civilian rights. It is another example of the coerciveness of war that men and women must,in this case, leave their homes to maintain their immunity.’ (Walzer, 1977, p. 168 – 169)
Dit is een keuze die burgers niet hebben bij de moderne terroristische aanslagen van na de tweede wereldoorlog. Hun aanvallen komen per definitie nog vóór iemand voor een bepaalde keuze gesteld wordt. De essentie van dit naoorlogs terrorisme ligt juist in het feit dat de aanvallen blindelings worden uitgevoerd enerzijds, en dus het geen keuze meer hebben anderzijds.
Het terrorisme als middel
Hoe komt het nu dat de manier van werken zo drastisch veranderde na WO II? We zagen reeds dat de doelstelling dezelfde is gebleven, nl het blindelings en onverwachts zaaien van terreur en angst met als doel bepaalde eisen te versterken en/of af te dwingen van een overheid of heersende klasse. Het middel echter veranderde drastisch: van het vermoorden van specifieke, meestal politieke doelwitten naar het bijna blindelings uitroeien van de burgerbevolking. Het heeft volgens Walzer allemaal te maken met de tweede wereldoorlog zelf. In de tweede wereldoorlog zien we immers voor het eerst dat de bevelhebbers van een conventionele oorlog gaan teruggrijpen naar het terrorisme, namelijk het blindelings bombarderen van onschuldige burgers in vijandelijke steden met als enig doel de overgave af te dwingen van hun vertegenwoordigers. Of zoals Walzer zelf schrijft:
‘terrorism in the strict sense, the random murder of innocent people, emerged as a strategy of revolutionary struggle only in the period after World War II (…) only after it had become a feature of conventional war.’ (Walzer, 1977, p. 198)
Hier komt, mijns inziens, het meest sterke argument ten voordele van terrorisme tot uiting. Dit is, als we de definitie van terrorisme aanvaarden, dat terroristen enkel reageren op terroristische daden gesteld, op de eerste plaats, door de overheid die hen onderdrukt. Als terroristen zich van het ‘blindelings en onverwachts moorden’ als middel bedienen om hun eisen kracht bij te zetten dan is dit enkel, volgens henzelf, omdat de overheid daarmee begon. Zij reageren naar eigen zeggen dus enkel uit zelfverdediging en dit liefst met dezelfde middelen[2]. We kunnen dit argument, denk ik, moeilijk ontkrachten. De enige manier bestaat eruit effectief op het terrein te gaan kijken of de overheid inderdaad wel terroristische daden pleegt.
Een eerste probleem hierbij is dat we ons, zoals reeds gezegd, dienen te scharen achter dezelfde definitie. De meest aangewezen manier hierbij lijkt me een officieel gangbare definitie aan te nemen die van de overheid zelf komt. Noam Chomsky geeft er zo één:
‘terror is the calculated use of violence or the threat of violence to attain political or religious ideological goals through intimidation, coercion, or instilling fear.’ (Chomsky, 2001, p. 11)
Deze definitie komt uit officiële legerhandboeken van de VS, en lijkt me hier wel aangewezen om de volgende, cruciale vraag te beantwoorden: bezondigen sommige overheden (die te maken krijgen met terroristische aanvallen) zich zelf aan het terrorisme als middel in een conflict? Het antwoord is even eenvoudig als voor de hand liggend. We hoeven de kranten maar dagelijks open te slaan om te zien dat niet één, maar beide partijen zich bezondigen aan het terrorisme, zoals ze in bovenstaande definitie werd naar voor gebracht. Denken we hierbij bijvoorbeeld maar aan de terreur die Israël zaait in sommige vluchtelingenkampen of het conflict tussen de VS en Nicaragua begin jaren tachtig, een voorbeeld trouwens door Chomsky aangehaald tijdens zijn lezing op 18 oktober. Recenter in het geheugen ligt uiteraard het huidige conflict in Irak waar zowel VS-militairen als Iraakse verzetsstrijders zich bezondigen aan het willekeurig doden van burgers. Uiteraard wordt dit niet openlijk toegegeven door de regeringen zelf. Geen enkele regering zal openlijk toegeven dat zij ook het terrorisme hanteert als middel in de beslechting van een conflict. Dit is volgens Chomsky enkel te wijten aan het feit dat zij ook de doctrinaire systemen in handen hebben, zoals bijvoorbeeld de media, in tegenstelling tot diegenen die van terrorisme beschuldigd worden. Het terrorisme van de overheden geldt dus niet als terrorisme vermits beide standpunten, dat van rechter en van dader, bij hen samenvallen.
Is dit dan een reden om het terrorisme goed te praten? Allerminst, immers de ‘oog om oog, tand om tand’ doctrine heeft in het verleden al bewezen een slecht bemiddelaar te zijn. Het brengt echter wel met zich mee dat we dit argument slechts kunnen veroordelen als we de terreur van beide zijden veroordelen.
We kunnen ons hierbij nog afvragen wat de reden dan wel zou mogen zijn van het teruggrijpen naar het terrorisme als middel. Waarom wordt terrorisme gehanteerd? Een veel gehoord antwoord op deze vraag is dat het terrorisme het wapen van de zwakke zou zijn die geen andere keuze heeft dan het terrorisme te gebruiken als middel om zijn eisen kracht bij te zetten. Zowel Walzer als Chomsky spreken dit tegen, maar dan wel met een heel andere bedoeling.
Walzer maakt een onderscheid tussen de zwakheid van de terrorist ten opzichte van zijn vijand en die ten opzichte van zijn eigen volk. Het is niet, zegt Walzer, omdat de terrorist zwak staat ten opzichte van zijn vijand dat hij uiteindelijk gaat teruggrijpen naar het terrorisme, maar wel omdat hij zwak staat tegenover zijn eigen volk. Hij bevindt zich in de onmogelijkheid om zijn politieke eisen kracht bij te zetten door middel van manifestaties, algemene stakingen, kortom massale politieke, niet-gewelddadige acties, niet omdat hij dat niet wil, maar omdat hij de steun niet geniet van een brede basis. Dit is een argument dat we reeds terugvinden bij Trotsky in een pamflet getiteld ‘waarom marxisten individuele terreur afwijzen’ uit 1909. Hij schrijft daarin dat ‘terrorisme begint als individuele protestdaden, voordat het een stadium van actiemethode van politieke strijd bereikt.’

Ook Chomsky ontkent dat het terrorisme het wapen van de zwakke zou zijn maar enkel om zijn stelling dat ook de overheid aan terrorisme doet, kracht bij te zetten. Van beide kanten uit wordt terrorisme bedreven, zowel van de sterke als van de zwakke kant. Of in zijn eigen woorden: ‘Terrorism is not the weapon of the weak. It is the weapon of those who are against ‘us’ whoever ‘us’ happens to be.’ Daaraan toevoegend, als het ware om meteen de kritiek van Walzer een hak te kunnen zetten: ‘And if you can find a historical exception to that, I’d be interested in seeing it.’ (Chomsky, 2001, p.7)
De efficiëntie van het terrorisme
Een ander veel gehoord argument is dat het terrorisme wel degelijk zijn uitwerking niet mist. Als terrorisme gehanteerd wordt als middel dan is dit enkel en alleen omdat het ook effect heeft: ‘terrorisme werkt’. Chomsky beaamt dit volmondig en maakt er niet al te veel woorden aan vuil: ‘One is the fact that terrorism works. It doesn’t fail. It works Violence usually works. That’s world history’ (Chomsky, 2001, p.6) Ook dit, de efficiëntie ervan, is een sterk argument dat te pas en te onpas wordt gebruikt om het terrorisme, zij het niet goed te praten, dan toch als begrijpelijk te beschouwen.
Iemand die er niet zo kort bij stilstaat is Walter Laqueur. Hij stelt zich, uit geschiedkundig oogpunt gezien, serieuze vragen omtrent de efficiëntie van terrorisme. Hij merkt op dat terrorisme meer niet dan wel poltieke invloed heeft, en wanneer het dan toch effect blijkt te hebben het meestal het omgekeerde effect is dan dat wat beoogd werd. Hij neemt het voorbeeld van de moord op Rajiv Gandhi in 1991. Deze terroristische daad heeft weinig invloed gehad op het uiteindelijke verval van de Indiase Congrespartij. Ook de verkiezing en de uiteindelijk installatie van de Likud-regering na de terreuraanslagen in Israël, zou wel eens in het nadeel kunnen spelen van die terroristen.
Ook Trotsky merkt in zijn pamflet uit 1909 op dat een terroristische daad weinig efficiënt zal blijken te zijn, indien tenminste de uiteindelijke doelstelling de omverwerping van de heersende klasse is.
‘Of een terroristische aanslag, zelfs een ‘succesvolle’ de heersende klasse in verwarring brengt hangt af van de concrete politieke omstandigheden. In elk geval kan de verwarring slechts kortstondig zijn; de kapitalistische staat is niet gebaseerd op ministers en kan niet met hun geelimineerd worden. De klassen die het dient zullen altijd nieuwe mensen vinden; het systeem blijft intact en blijft functioneren.’ (Trotsky, 1909, p. 2)
Niet alleen is het netto-resultaat aan de zijde van de heersende klasse quasi nihil, het resultaat aan de zijde de massa’s van waaruit de politieke eisen kwamen, is ronduit negatief. Immers, niet alleen vestigen zij, in het beste (of slechtste) geval, hun hoop op deze ongecontroleerde, ongeorganiseerde politieke methode, meer nog, zij verliezen hun belangstelling in politieke massa-organisatie en scholing. Rekening houdend met het feit dat ook de repressie tegenover hen groter wordt, als gevolg van de terreurdaad, resulteert dit in slechts één winnaar: het slachtoffer van de terreur, zijnde in dit geval de heersende klasse.
‘Hoe effectiever de terroristische acties, hoe groter hun impact, des te meer reduceren zij de belangstelling van de massa’s in hun organisatie en scholing. Maar de rook van de verwarring trekt op, de paniek verdwijnt, de opvolger van de vermoorde minister verschijnt op het toneel, het leven gaat verder op de oude manier, het rad van de kapitalistische uitbuiting draait als vroeger; alleen de repressie van de politie wordt wreder en brutaler.’ (Trotsky, 1909, p. 3)
Waarschijnlijk heeft Walzer deze woorden van Trotsky in gedachten wanneer hij schrijft:
‘The mark of a revolutionary struggle against oppression, however, is not this incapacitating rage and random violence, but restraint and self control.’ (Walzer, 1977, p. 205)
Met hetzelfde argument wordt hier Sartres bevrijdingsfilosofie weerlegd, die zou stellen dat de onderdrukten zich ‘bevrijden’ van hun onderdrukkers door hen gewelddadig uit te schakelen.
Bij enige volharding echter van het zogenaamde ‘efficiëntie-argument’, horen we soms ook nog dat terrorisme wel zijn efficiëntie bewezen heeft in die gevallen waarbij de ‘ex-terroristen’ president of eerste minister van hun land geworden zijn. Dit argument weerlegt Laqueur door te stellen dat zij dit enkel konden geworden zijn nadat zij het geweld hadden afgezworen en zich hadden aangepast aan het politieke proces.
Nu zo ongeveer de meeste argumenten pro en contra de revue gepasseerd zijn, dringt een conclusie zich op.
Conclusie
Laten we voor een goede gang van zaken de argumenten nog eens op een rijtje zetten:

- terrorisme werkt, heeft zijn efficiëntie bewezen en is dus om deze reden een goed middel gebleken
- terrorisme gebeurt slechts uit zelfverdediging tegen de terreur van de overheid
- terrorisme is slechts één van de vele wapens in een oorlog
- de doelwitten van het terrorisme zijn geen onschuldige slachtoffers vermits ze de vijand, bewust of onbewust, steunen
- terrorisme ontstaat waar onrecht heerst
De ontkrachting van deze, of combinaties van deze argumenten gebeurt, na al hetgeen wat we besproken hebben, op tweeërlei niveau:
- Daar waar oorlog nog enigszins gereguleerd wordt door bepaalde conventies, en op deze manier een zekere moraliteit in stand tracht te houden, valt het terrorisme buiten de moraliteit omdat ze geen beperkingen oplegt aan haar acties. Ze houdt zich aan geen enkele conventie, en bijgevolg aan geen enkele vorm van moraliteit. Dit is het meest cruciale argument naar voren gebracht door Walzer.
- Terrorisme heeft niet alleen geen, maar ook een averechts effect voor wat het betreft het bereiken van zijn politieke doelen. Zelfs al worden de acties gesteund door een brede laag van de onderdrukte bevolking (wat zelden het geval is) dan nog zal de repressie harder toeslaan dan ooit tevoren. Slechts een algemene en massale politieke actie kan een onderdrukkend regime van antwoord dienen. Dit is een argument naar voren gebracht in zijn meest originele vorm door Trotsky, maar ook Walzer, Laqueur en Chomsky brengen het naar voor.
Het is om deze redenen dat we slechts in de meest krachtdadige bewoordingen het terrorisme, van welke kant uit ze ook komt, kunnen veroordelen, zelfs al zou het nog zo begrijpelijk overkomen. Een terroristische daad kan dan ook op geen enkele manier gerechtvaardigd worden. Ook Walzer besluit hiermee wanneer hij zegt: ‘the only political response to ideological fanatics and suicidal holy warriors is implacable opposition.’ (Walzer, 2001, p.3)
Bibliografie
boeken
Walzer, M., Just and unjust wars, Third Edition, Basic Books, 1977, p. 197-206
Laqueur, W., Terrorisme, Baarn, 1978, 278 p.
artikels
Walzer, M., Five questions about terrorism, 2001
url: www.handl.net/pol45/terror/walzer%20-%20Five%20Questions%20About%20Terrorism.doc
Chomsky, N., The new war against terror, Transcribed from audio recorded at The Technology & Culture Forum at MIT, 2001
url: http://www.zmag.org/GlobalWatch/chomskymit.htm
Trotsky, L., Waarom marxisten individuele terreur afwijzen, 1909
url: http://www.marxists.org/nederlands/trotski/1909/1909terreur.htm
Laqueur, W., Postmodern Terrorism, GLOBAL ISSUES, An Electronic Journal of the U.S. Information Agency, Volume 2, Nr 1, Februari 1997
url: http://www.fas.org/irp/news/1996/pomo-terror.htm
[1] De opsomming is verre van volledig. Deze twee conventies worden echter specifiek aangehaald omdat ze van belang blijken te zijn bij de behandeling van het fenomeen terrorisme.
[2] Soms is discussie mogelijk over de manier waarop deze middelen tot uiting komen; denken we maar aan het Israëlisch-Palestijns conflict waarbij een volledig getraind leger staat tegenover zelfmoordactivisten. Dit verschil in uiting is echter te verklaren door het feit dat de palestijnen nu éénmaal geen toegang hebben tot een dergelijk militair apparaat en dus wel zijn aangewezen op minder ‘conventionele’ middelen.